Razzia Hilversum 23 oktober 1944

Dit verhaal is tot stand gekomen na uren onderzoek bij de volgende instellingen:

NIOD in Amsterdam            website
SAGV in Hilversum             
website
Gelders Archief in Arnhem 
website
Archief Ede in Ede              
website

 

's Ochtends in alle vroegte wordt de burgerij gewekt door luchtalarm en instinctief zoekt iedereen binnenshuis een veilig plekje. Totdat blijkt dat het luchtalarm slechts een aankondiging is van een grootscheepse razzia. Alle mannen tussen 17 en 50 moeten zich op straat melden, om voor de Duitsers werkzaamheden te verrichten. Dat werd huis aan huis bekendgemaakt en als de deur niet snel genoeg werd geopend, zorgde een handgranaat er wel voor dat de deur open vloog. De bewoners kregen, nadat de deur goed- dan wel kwaadschiks werd geopend, een pamflet onder ogen, met de hiernaast staande tekst:
Deze aanplakbiljetten waren 's nachts ook al door het hele dorp opgeplakt. Het epistel was ondertekend door de Hilversumse NSB-burgemeester Fijn.

In aanvulling op de pamfletten en de huiszoeking was de hele gemeente afgezet door gewapende Duitsers. Niemand kwam er in of er uit. De keuze was eigenlijk vrij simpel, ofwel je dook onder (wat erg moeilijk was) of je meldde je voor de dwangarbeid.

Door het zinnetje over de fietsen besloot ongeveer een vijfde van de mannen hun rijwiel mee te nemen. Dat heeft ze behoed voor erger leed, want iedereen met een fiets in zijn bezit, hoefde niet naar Duitsland, maar dat werd pas veel later duidelijk.

De meldingsplaats was het Sportpark, waar iedereen geregistreerd werd. Er was ook een soort dokterspost, waar mensen die ongeschikt waren om te werken een vrijstellingsbriefje konden halen. De term

dokterspost is zwaar overtrokken, er zaten een paar Duitsers zonder noemenswaardige medische kennis. Iemand die op het oog al zijn ledematen nog had en geen zichtbare abcessen of dergelijke vertoonde, werd goedgekeurd.

Degenen die niet werden afgekeurd gingen naar het Polizeiliches Durchgangslager (PDL) Amersfoort, een strafkamp dat ook werd gebruikt om tijdelijk mensen te huisvesten. Vanuit Hilversum gingen "enkele duizenden" naar Amersfoort. Hoeveel het er exact waren, blijkt uit de sinistere boekhouding die de leiding van Kamp Amersfoort heeft bijgehouden. De razzia werd in die boeken eufemistisch omschreven als "Aktion Hilversum" en op die vervloekte 23ste oktober kwamen er 2997 mannen uit Hilversum aan in Kamp Amersfoort.

De razzia werd eufemistisch aangeduid met de term Aktion Hilversum

De volgende dag zouden er nog 764 mannen arriveren. Zij hadden het langst moeten wachten op keuring en inschrijving op Hilversum Sportpark. Met als gevolg dat ze 's nachts naar Amersfoort moesten lopen, uiteraard zwaar bewaakt door Duitse troepen (Wehrmacht) en zogeheten elitetroepen (SS). Het motto was doorlopen en wie dat niet kon of wilde, mocht rekenen op een klap met een geweerkolf of erger.

De mannen die met de fiets waren gekomen gingen de dag daarop al naar Ede. Het waren er 819.

Zij werden dus pas de volgende dag ingeschreven. Op die pagina zien we meteen dat er 819 mannen per fiets vertrokken. Abgeholt per Fahrrad. We weten uit het boek "Arbeiders in Moffenland" van Bertie Ham precies hoe laat ze weggingen en waarheen. Op bladzijde 26 bovenaan staat:

Degenen die geen fiets hadden meegenomen, kwamen in Duitsland terecht, onder andere in Bramsche, inde buurt van Osnabrück. Over hun lotgevallen en ontberingen is het nodige bekend. Er zijn boeken over geschreven en de kranten besteedden er aandacht aan. Alleen over de groep die naar Ede ging is maar erg weinig bekend.

Eén van de velen die met de fiets naar Ede werden afgemarcheerd was H. J. van der Velden, woonachtig op de Kamerlingh Onnesweg. Er werd met veel misbaar op de deur gebonsd en Henk werd gesommeerd om spullen te pakken, naar buiten te komen en mee te gaan. Hij kreeg amper tijd om zijn fiets achter uit de schuur te halen. Zijn echtgenote Martha Van der Velden-Thamm, was helemaal niet gelukkig met de gang van zaken. Naarmate de tijd vorderde werd ze steeds kwader over het feit dat haar man door de Duitsers was geronseld voor dwangarbeid. Martha kwam zelf uit Duitsland en opeens - als in een opwelling - ontstond het plan om Hendrik terug te halen. In Amersfoort was hij niet meer, dat was wel bekend, maar waar dan wel?

In de grote groep weggevoerde mannen bevonden zich ook enkele Hilversumse kroegbazen, met name van de Geuzenweg en de Hoge Larenseweg. Hun vrouwen gingen naar Ede om eten en vooral drank te brengen en een van die vrouwen vertelde aan Martha dat haar man in Ede verbleef in een kamp.

Op woensdag 25 oktober vertrok Martha met haar zoon op de fiets naar Ede. De twee boekten een kamer in een pension en Martha ging naarstig op zoek naar dat kamp. Toen dat eenmaal gevonden was stapte ze donderdagochtend doodleuk naar binnen en vroeg in fel Duits 'wie hier de baas was'. De wacht bracht haar naar een officier, die vervolgens een langdurige scheldkanonnade over zich heen kreeg. Met als inhoud dat "haar vader als politieman in Berlijn was overleden, dat twee van haar broers waren gesneuveld, dat ze genoeg had van die rotoorlog en dat ze niet wilde dat haar man haar ook nog eens zou worden afgenomen". De officier werd – in indrukwekkend uniform en met schmiss op zijn wang – in feite steeds kleiner. Het resultaat was dat er meteen papierwerk werd geregeld om Hendrik 'Arbeitsunfähig' te verklaren. Net toen het papierwerk was afgerond zag Martha dat haar zoon (16) vanuit het pension was meegenomen en achter haar stond. Hij had de hele ceremonie kunnen zien en horen. Een tweede scheldpartij over zijn leeftijd was voldoende voor een krabbel op het persoonsbewijs van de zoon, het enige stukje papier dat hij bij zich had. Gedrieën stapten ze vervolgens op de fiets om terug te gaan naar Hilversum.

Moraal: Duitsers nemen de underdog-positie in zodra iemand een grotere bek opzet dan zij zelf.

In zeer kleine kring was dus wel bekend dat er een groep mannen uit Hilversum in Ede terecht was gekomen, maar het was totaal niet duidelijk waar, en wat ze daar hebben gedaan.

De groep-Ede, om het zo even te noemen, was door het grote publiek zelfs volkomen vergeten, tot 1994. Toen kreeg Egbert Pelgrim van de Historische Vereniging Albertus Perk lucht van het verblijf in Ede. Pelgrim, inmiddels overleden, startte een zoektocht die hem naar het Gemeentearchief in Ede voerde. De correspondentie met de toenmalige gemeentearchivaris leverde vrijwel geen resultaten op, behalve dan een foto en een kaartje van een toenmalige werkkamp ten oosten van Ede. Zijn onderzoek stokte en het bleef in onafgemaakte vorm in het Streekarchiefin Hilversum liggen.

Volgens het gemeentearchief van Ede zou dit het kamp moeten zijn waar de dwangarbeiders waren ondergebracht.

In 2014, het was inmiddels bijna 70 jaar geleden dat de razzia plaatsvond, besloot ik om er een onderzoekje aan te wagen. Net zoals Egbert Pelgrim kwam ik terecht bij het Gemeentearchief Ede, waar ik nauwelijks wijzer werd. Ik heb de bewaarde correspondentie met de Wehrmacht doorgeworsteld, maar daar ging het vooral om meisjes uit Ede die moesten komen opdraven om aardappels te schillen en om boeren die hun paarden ter beschikking dienden te stellen van het Duitse leger. Geen woord over Hilversum en de ruim 800 mannen die per fiets naar Ede waren gekomen.

Dan maar naar het NIOD in Amsterdam. Dit Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies zou toch wel het een en ander in de archieven hebben, dacht ik. Na een halve dag onderzoek was ik een klein beetje wijzer geworden, bijvoorbeeld vond ik hier een kaart van kamp Amersfoort en de boekhouding daarvan. Een klein boekje waarin per dag werd aangetekend hoeveel mensen binnenkwamen en hoeveel er weer weg gingen. Twee foto’s staan hierboven al.

Uit dat boekje is te lezen, dat de razzia's eenvoudig werden aangeduid met 'Aktion' ofwel 'actie'. Je had op 23 oktober de Aktion Hilversum, een dag later gevolgd door de Aktion Bussum. Ook in Bussum werd het kunstje uitgehaald om mensen eerst binnen te houden met luchtalarm om ze vervolgens stuk voor stuk naar buiten te jagen.

Het spoor in de archieven liep dood, net zoals 20 jaar geleden. Maar gelukkig hebben we nu iets dat er in 1994 nog niet was: het internet en sociale media zoals Facebook. Ik zette een klein oproepje op Facebook, met de vraag of er mensen waren die iets wisten over een verblijf van een familielid in de buurt van Ede. Dat oproepje werd beantwoord door Ron de Heus, die vertelde dat zijn vader Joost de Heus in een kamp bij Ede had gezeten. Ron heeft (bijna) de volledige correspondentie tussen zijn vader en het thuisfront.

Ron de Heus en Richard Keijzer buigen zich over de brieven van en aan Joost de Heus.

Dat klonk interessant, dat moest ik met eigen ogen zien. Een afspraak was snel gemaakt en ik heb toen de hele map met brieven op de foto gezet. Met als resultaat 77 opnamen met zeer waardevolle historische informatie.

De brieven geven een tijdspad, en het blijkt dat de groep voor Mooi-Land donderdagavond of vrijdagmorgen is vertrokken. Een brief, die zijn moeder naar Ede had gestuurd, kwam na die vrijdag onbestelbaar retour. Zijn ouders zaten vervolgens 10 dagen in de rats, zonder te weten waar hun zoon zich bevond. Uit de brieven van Joost lazen we, dat hij met een groep in het voormalige rusthuis Mooi-Land in Doorwerth terecht is gekomen. Een aantal wordt niet gegeven, maar het zullen er best veel zijn geweest.

Joost deed zijn best om wel dingen te vertellen maar vooral zijn moeder ver te houden van alle vreselijke details. Zoals het niet mogen wassen gedurende enkele weken, de luizen, de ziektes etcetera. Hij had het geluk dat hij met een aantal geloofsgenoten in Mooi-Land zat en samen hebben ze een hoopvolle stemming weten te creëren. Ook de familie thuis deed dat, met hulp van de overige kerkgangers. Ondanks dat klinkt toch de wanhoop hier en daar door in de brieven.

Joost had, op die 23ste oktober, de tamelijk nieuwe fiets van zijn vader meegekregen naar het Sportpark. Die fiets heeft hem min of meer behoed voor zeer ernstige ervaringen. Tot in het nieuwe jaar heeft hij de fiets bij zich gehouden, tot het rijwiel door de Duitsers werd "georganiseerd". Een deftige term voor 'achterovergedrukt', zeg maar.

Vanuit Mooiland werden de dwangarbeiders het ‘Sperrgebiet’ ingestuurd om daar kap- en graafwerk te doen. Hele loopgraven en stellingen werden gegraven, om de nieuwe frontlinie langs de Rijn te verstevigen. Joost schrijft, dat ze 10 gulden per dag verdienden en zondags 15 gulden. Dat soort bedragen zijn wel vaker voorgespiegeld, maar nooit uitbetaald. Joost en zijn maten kregen het geld echter wèl en na de eerste week schreef hij trots naar huis dat hij 75 gulden in zijn zak had.

Het Doopsgezinde rusthuis Mooi-Land in Doorwerth op de grens van Heelsum, zou al een paar keer eerder ontruimd worden door de Duitsers, daar werd tenminste mee gedreigd, maar media oktober was het menens.

In zijn handgeschreven boekje 'Mooiland tijdens de oorlog 1940-1945' vermeldt P. de Jong dat het huis op zondag 24 oktober geheel leeg zou moeten zijn. Er staat een vraagtekentje achter de datum, het moet 22 oktober zijn. Een dag voor de grote razzia in Hilversum.

Een wat nauwkeuriger beschrijving is te lezen in de 'Kroniek van MooiLand' geschreven door H. Leloux:

Van de Duitsers kwam op 20 oktober het bevel dat de bewoners van Mooi-Land en de rest van de enclave het gebied moesten verlaten. De evacuatie van de meer dan honderd bejaarde en deels lichamelijk gebrekkige bewoners vond op 21,22 en 23 oktober 1944 plaats.Het Rode Kruis was in staat een bus te laten rijden voor het vervoer naar Ede. Op 24 oktober werden de  bewoners verder vervoerd naar De Bilt.

Het huis had zo'n 100 kamers en er was dus plaats voor ettelijke honderden dwangarbeiders, want die werden met een aantal man op een kamer gezet. Naarmate de oorlog langer duurde wedr het aantal dwangarbeiders per kamer drastisch verhoogd, tot uiteindelijk 20 man per kamer. Uit literatuur over Mooi-Land blijkt, dat er tegen die tijd minstens 800 mannen in het huis zaten opgesloten, verdeeld in groepen van 100 man.

Zodra de Duitsers bezit hadden genomen van Mooi-Land, werd de naam van het gebouw veranderd: er werd alleen nog gesproken van Lager Scharnhorst. Ook andere buitenplaatsen, ziekenhuizen en dergelijke die in Duitse handen kwamen, kregen een andere naam. Zo werd de psychiatrische kliniek in Wolfheze omgedoopt tot Lager Reijerhorst.

Joost de Heus beschreef de omstandigheden zo nauwkeurig mogelijk, waarbij hij impliciet ook een soort presentielijstje opstelde. In zijn brieven liet hij namelijk de geloofsgenoten die bij hem waren, de groeten doen aan zijn ouders en ook aan hun eigen familieleden. Daaruit valt een lijstje met namen te destilleren.

In een van zijn eerste brieven schrijft Joost dat hij met de volgende Apostolischen is:

Broeder Ham
Broeder Putman
Broeder Carbo
Broeder Voorn
Broeder Kuik
Broeder Wal

In een latere brief laat hij de groeten meekomen van:

Theo Carbo
Jack Oldenkamp
Jaap van Essen (in november naar ziekenhuis vanwege vreselijke buikpijn)
Edo Coolen
Jan Ruwers
De jongste zoon van de familie Gortemuller
De heer Mulder (toenmalig adres: 1e Nieuwstraat 4 te Hilversum) mag in december 1944 met verlof en hij neemt brieven en geld mee.

Joost noemt alleen de mensen van de Apostolische Gemeente en komt dan al tot 13 namen. Stel, dat het aandeel van deze godsdienst op het otaal van de Hilversumse bevolking 2,5 procent is (zeer ruim geschat). Dan is de hele groep in Mooi-Land 40 keer zo groot, en dan zit je dus op 40 x 13 = 520 man. In de volkstelling van 1947 is het percentage “overige godsdiensten” ongeveer 1 procent... Ik vertrouw mijn berekening dan ook niet zo.

De mannen in Mooi-Land dan wel Lager Scharnhorst, werken voor de Organisation Todt. Dat heeft niets met de dood (todt) te maken, maar wel met de in 1943 overleden minister Todt. De naar hem genoemd organisatie (vaak afgekort tot OT) is verantwoordelijk voor alle bouwwerken in het Derde Rijk. Daaronder vallen ook bunkers, loopgraven en dergelijke.

In de huisregels van de OT staat expliciet, dat met de gevangenen alleen maar Duits mag worden gesproken. Iedere andere taal is uit den boze, want dat zou kunnen worden opgevat als een teken van zwakheid of een poging tot verbroedering. Er werd dus uitsluitend Duits gesproken, waarbij de bevelen altijd klopten en andere mededelingen met een zware korrel zout genomen moesten worden. Vandaar ook, dat Joost in een van zijn brieven (gedateerd 13 december 1944) letterlijk schrijft:

De OT-mannen hebben gezegd dat wij "bestemd voor Wijnnachten toe hauze geen".

Huize Mooi-Land ziet er tegenwoordig zo uit. Het pand heeft geen functie meer als bejaardentehuis.

Ik hoop dat mensen na het lezen van dit verhaal zich dingen herinneren of details weten waarmee ik dit verhaal nog verder kan uitbreiden. Zo ja, dan graag een mailtje aan het onderstaande adres: